‘Hier! Nico, kom hier! Tim? Kooooom nou!’
Vanaf zijn bankje ziet  hij twee jonge hardlopers verontwaardigd kijken als hun honden niet naar ze luisteren. De blauwogige Husky rent in galop alle kanten op, met zijn roze tong aan de linkerkant uit zijn bek en met een fraaie krul in zijn grijswitte staart. Het kleine oude ruwharige hondje is midden op het pad gaan zitten. Hij vertikt het om verder te lopen. De hardlopers stoppen en lopen op hun honden af. Ze doen ze aan de lijn om zo verder te rennen.

‘Die Husky is een poolhond, en het is meer dan dertig graden, hij wil zijn grenzen verkennen en lekker doorrennen. Tot het veel te warm voor hem is. En dat oude hondje, die bepaalt graag hoe zijn eigenaren hardlopen.’ De theorie ontstaat in zijn hoofd. Hij kijkt hoe dit verder verloopt.
De hardlopers hebben niet door wat de honden willen. Zij rennen verder, met de honden aangelijnd.  De Husky stribbelt net zo lang tegen tot zijn baas de riem steeds wat korter pakt. Uiteindelijk is de riem zo kort dat hij bij iedere pas van zijn baas een rukje aan zijn riem krijgt.
‘Zo, dat geeft die hond endorfinestootjes, die Husky houdt nog van een pijnkick ook.’ Hij kijkt met bewondering naar de Husky. ‘Een dominante hond die graag bepaalt hoe er gelopen wordt.’
Het oude hondje loopt met opgeheven kopje en stijve pootjes naast de jonge vrouw. ‘Die heeft het helemaal voor elkaar. Daarom loopt hij zo trots. Hij bepaalt hoe hij wil lopen en zij moet zich aanpassen’ Hij kijkt er naar en schudt vol bewondering zijn hoofd. Dieren zijn intelligent.

‘Draf! Aaaaansluiten!’
Hij kijkt naar links en ziet een groep ruiters in kolonne achter elkaar rijden. In hoog tempo komen ze er aan. Paardenneus aan paardenstaart, zoals paarden dat graag hebben. Ze rijden voor hem langs. Een manege, denkt hij. De voorste amazone – haar paard is duidelijk de baas van t spul – kijkt achterom, naar de ruiters achter haar. Het paard heeft de sokken er goed in. De paarden lopen met strakke ruggen, de hoofden omhoog, de hoeven hoog opgetild. Per paard worden de stofwolken groter. Even indrukwekkend als een kudde olifanten op een stoffige savanne. Iedereen kijkt naar ze. Kleine dieren, vogels en insecten maken dat ze uit de buurt komen. Het zijn er twaalf, ze hebben het helemaal naar de zin. De grote dieren zien er indrukwekkend en trots uit, de koningen van het bos. Hij ruikt paardenzweet. Eén paard tilt net zijn staart op. Flop, flop, flop. Groenige natte paardendrollen vallen spetterend op de grond. Vijf meter voor hem. Een walm verse paardenstront bereikt zijn neusgaten.
‘Stof, zweet en strontgeur. Sjonge, die laten pas echt weten dat ze aanwezig zijn,’ bedenkt hij, met bewondering in zijn ogen. ‘En het volgende  uur hebben ze weer nieuwe  mensen geronseld om hetzelfde rondje te domineren in het bos.’

‘Stof, zweet en strontgeur. Sjonge, die laten pas echt weten dat ze aanwezig zijn,’

 

 

 

‘Foei! Foei!’
Hij tuurt naar links en rechts en ziet dan een man van een jaar of veertig, gekleed in een zwarte broek en een witte blouse met een vrolijke zwart-wit-grijs gevlekte hond.
‘Zal wel in de  horeca werken’, vermoedt hij, ‘ja, bleek gezicht van het slaapgebrek door het nachtwerk, en dat bierbuikje past er ook wel bij. Het lijkt me een barman.’
De half-langharige hond wil kwispelend de stok pakken om mee te nemen. De man moppert. De hond blijft vrolijk kwispelen, hij blaft naar de stok.
‘Jij mag niet het aangeplante graan in! Marco?!?’ moppert de man tegen de hond.
De hond kwispelt nog blijer. Stok, baas? Hij grijpt de stok en rent ermee het graan in. De man kijkt vertwijfeld om zich heen.
‘Marco, hier! HIER!!!! HIER!!!!’ Marco doet net alsof hij niet weet waar het pad ophoudt en de jonge aanplant begint. Hij rent vrolijk met stok en al door de jonge aanplant.
Hij kijkt even om zich heen, of niemand het ziet, maar dan stapt de horecaman ook de jonge aanplant in. Achter de hond aan.
De hond rent rondjes, kwispelt. Hij laat zich steeds net niet vangen. De horecaman wordt steeds bozer. Zijn hoofd wordt rood. De hond heeft plezier.
Dan ziet hij een tractor aankomen. Zal het de boer zijn van wie het veld met de jonge aanplant is? Hij ziet dat de hond net naar de rand van het veld loopt. Kalmpjes. De horecaman staat er middenin. De broekspijpen, die net nog keurig zwart waren, zijn nu grijs. Zijn zojuist nog keurig gepoetste schoenen zitten onder het stof. Natte plekken tekenen zich af onder zijn oksels. Zijn voetafdrukken zijn overal zichtbaar tussen de jonge aanplant. Her en der geknakte plantjes.
De hond zit nu met zijn liefste blik aan de rand van de jonge aanplant. De boer stapt uit de tractor en gaat dreigend aan de rand van het veld staan, wachtend tot de horecaman bedremmeld aan komt lopen, het bleke beschaamd voorover gebogen.
Hij lacht. Wat een hond, die Marco! Een hond met practical jokes! Eentje die van humor houdt!
Wederom schudt hij zijn hoofd. Nu schaterlachend. Wat geeft dit bankje toch een fantastisch uitzicht.

En dan ziet hij iets dat hij niet begrijpt. Een kleurloze vrouw, jaar of vijftig, make-up loos, gekleed in  een vormloze zandkleurige broek en een degelijke rood-blauwe Human Nature-zomerjas van de ANWB, die met stevige pas het bos in beent. Aan haar rechterhand heeft ze een korte lijn met daaraan een al even stevig doorlopende Duitse Herder.
‘Zo, die heeft zijn baas goed getraind! Kijk haar lopen in zijn ritme en tempo. Kijk hoe hij alle humor en alles wat ooit sprankelend aan haar was, uit haar getraind heeft.’ Hij kijkt met bewondering naar de Herder.
Dan ziet hij dat ze in de linkerhand een luchtbedpomp vast heeft.
Zijn wenkbrauwen fronsen zich. Hij gaat voorover zitten, brengt zijn hand als een afdakje boven zijn ogen om de zon tegen te gaan en tuurt, om het  beter te kunnen zien. Ziet hij echt een luchtbedpomp? ‘Goed, hier zijn allemaal huisdieren die hobby aan hun mens opdringen,’ denkt hij, de schouwspelen die hij zojuist zag in het bos, overziend. ‘Maar wat wil deze Herdershond nu wat het baasje met die luchtbedpomp doet?’
Verschillende scenario’s waar een herdershond en een luchtbedpomp in voorkomen, verschijnen voor zijn geestesoog. ‘Ach nee toch? Het zal toch wel netjes  zijn? Die hond heeft ongetwijfeld ook een hobby, eentje die hij graag aan zijn baas opdringt. Maar wat wil hij hier mee? Hij ziet er bloedserieus uit. In tegenstelling tot hondjes als Marco, staat een Herder niet bekend om zijn humor,’ peinst hij, ‘dat zie je ook aan hoe hij zijn baasje afgericht heeft.’
Hij ziet het koppel in hoog tempo doorlopen. ‘Zullen ze….?’
Hij kan de vinger er nog niet op leggen.

PIEEEEEEEPPPPPP!!!!!
Hij wrijft in zijn oren. Het schelle geluid kwam keihard binnen. Dan hoort hij voelt hij hoe hij zachtjes op zijn linkerschouder getikt wordt. ‘Mijnheer Piccardshof?’ Hij hoort de vriendelijke stem van Suzanne.
‘Suzanne?’, vraagt hij terwijl hij achterom kijkt, in haar fraaie blauwe ogen.
‘Uw tijd is om. U heeft voor een half uur betaald. De volgende mensen staan alweer klaar om op het bankje te mogen.’
‘Ah nee he,’ zegt hij terwijl hij haar aankijkt, ‘is mijn half uur nu al om? Ik zou er net achter komen wat die Herdershond met die luchtbedopblaaspomp wou met zijn baas.’
Suzanne lacht. ‘U had weer voor een andere visie op de realiteit over dieren gekozen? Dat is zo’n leuke versie. Die kies ik ook regelmatig. Mocht u eens weer terugkomen voor een sessie op het realiteitenbankje, dan kunt u weer voor de dierenversie kiezen, maar het verhaal van zojuist gaat niet verder. Dan had u voor drie kwartier, of beter nog, een uur moeten betalen. Als u voor een uur kiest, krijgt u afgeronde verhalen over nieuwe realiteiten.’
Hij zucht en staat op. Hij zal nooit weten wat die Herdershond met die luchtbedpomp wou met zijn baas. Hij loopt achter Suzanne aan richting de balie en schrijft zich in voor het eerstvolgende uurtje dat nog open staat op het realiteitenbankje.