Het is ergens rond 2003. Mijn moeder komt van het Groningse naar de Achterhoek. Ze wil wel een buitenritje maken. Op Merlijn, zo heeft ze bedacht. Ik kan voor deze keer de Grote Vos van Han lenen, die is met z’n 1.80 meter stokmaat geschikter voor mij dan voor mijn moeder. Grote Vos is eigenlijk braver dan Merlijn, maar hij ziet er gewoon te imposant uit voor vrouwen van zestig. Daar zet ik haar niet op.

Ze maakt zich wel een beetje zorgen. ,,Ik ben geen ander paard gewend dan mijn eigen oude Titus, Merlijn doet toch niet gek he? Hij gaat er toch niet vandoor. Kan ik hem wel houden?’’
Nee hoor, verzeker ik haar, terwijl ik achter mijn oor krab, nadenkend over de niet kwaad bedoelde maar doorgaans met zeer grote behendigheid uitgevoerde kwajongensstreken die mijn roodharige vent nog wel eens uithaalt.

De rit begint.
Ma past wel goed op het kleine dikkertje dat luistert naar de naam Merlijn. Ze laat, in haar geheel eigen rijstijl, de teugel los en houdt alleen het gespje vast met één hand. Met haar andere hand houdt ze een sperriempje vast, dat ze altijd door de ringetjes van het zadel maakt.
We rijden het bosje in. Alles gaat goed, Merlijn draaft blij mee. We gaan rechtsaf in stap op het asfaltpaadje. Dit is zijn vaste route, moet geen probleem zijn. Hier gebeuren nooit gekke dingen. Kan niet misgaan. Toch?
Dan weer linksaf, de Spaanse Laan op, een zandlaan in een drafje. Aan het eind van de Spaanse Laan staan een paar vakantiebungalows, waarvan een aantal permanent bewoond wordt.
Ik zeg nog tegen mijn moeder: ,,In het huis op de hoek hebben ze een Vervelende Herdershond. Die komt opeens aanrennen en blaft als een gek. U hoeft niet bang te zijn. We rijden er al jaren. Merlijn ergert zich aan de hond, maar is er niet bang voor. Hij doet alleen een oor opzij en denkt: ‘Daar heb je hem weer. Rotbeest. Ga toch weg.’

Merlijn ergert zich aan de hond, maar is er niet bang voor. Hij doet alleen een oor opzij en denkt: ‘Daar heb je hem weer.

Dan rijden we er langs.
Grote Vos ontspannen, Merlijn ontspannen, ma ontspannen.
Plots komt de hond door de bosjes scheuren, al blaffend. Dat is niet nieuw, dat kennen we. Dat doet hij altijd. De keukendeur  opent en het baasje schreeuwt de overbodige woorden ‘HOU OP, GA AF!’, alsof de hond maar op enigerlei wijze naar haar luistert. Dat heeft ‘ie nog nooit gedaan.
Ook dit kennen Merlijn en ik.
Maar dit keer heeft de hond zijn baasje in zijn kielzog, gekleed in een zwarte trui met enorme grote gele en rode stippen en gewapend met een hark, waarmee ze en passant de hersens van de hond probeert in te slaan. En dat geheel middenin de ritselende bosjes.
Grote Vos schrikt en springt opzij.
Merlijn doet zijn beroemde razendsnelle spin op zijn achterbenen met een ingebouwde schroef waarbij alle vier benen even de grond verlaten. Ma blijft, in tegenstelling tot andere ruiters die dit al eens meemaakten, gewoon zitten. Ze rijdt immers als een westernruiter, ze houdt zich niet aan de voorkant vast maar heeft haar balans op de zit. Merlijn tolt en ze tolt net zo hard mee.

Als hond, vrouw en hark niet meer op elkaar inhakken en de paarden weer rustig zijn, zegt mijn moeder blij: ‘Ik kon hem houden, hij gaat er helemaal niet vandoor! Wat een braaf paard is Merlijn.’’
Mijn hart bonst in mijn keel.
We vervolgen ons ritje. Merlijn gedraagt zich als het braafste jongetje van de klas. Ma is verguld. Merlijn is lief. Daar wil ze nog wel eens op rijden!
Dat lijkt mij een prima plan, zeg ik, lachend als een boer met kiespijn. En ik hoop stiekem dat hond, vrouw of hark voor die tijd het loodje leggen.

(foto: Ma het haar Titus (v. Jashin), die op de foto 25 was en bejaardenritjes maakte met ma, waarbij hij zelf route en tempo mocht kiezen. Dus ging ‘ie vaak hard en de bult op. Hij werd 29 jaar, we hadden hem 26 jaar.).