Op mijn zesde begon ik met paardrijden. Bij een oud ijzerhandelaar met een houten been. Ik moest en zou paardrijden. Wedstrijdrijden ook. Dat fanatisme bleef.

Ergens, rond mijn 35ste, met alle dagen paardensport op mijn werk en een paard dat altijd blessures had én een rugprobleem heeft omdat hij twee keer in de sloot belandde, verdween dat fanatisme. Paarden zijn nog onveranderd leuk. Maar rijden, ach, dat hoeft niet meer zo nodig. Dus rijd ik tegenwoordig af en toe en verder ga ik naar de stal om Merlijn te voeren en te poetsen. En in de zomer lig ik lekker in het gras in de appelboomgaard van mijn stal, met een colaatje of, in dit geval een lemonbiertje (soort sneeuwwitje) en kijk hoe de mannen genieten van het sappige gras.

Kijkt ze es trainen?
Die kaken worden hartstikke gespierd.