Het is rond 2006. Merlijn woont in de stallen bij Han en Lotte. Merlijn is kreupel. Een vaag kreupelheidje. Eerst word ik er wat sneu van, dan bedenk ik samen met Mariëlle wat het kan zijn: hij is  door een invalhoefsmid beslagen. Zo’n brede mijnheer die ijzer onder zijn voeten sloeg, met nagels door zijn hoeven. Voor een paard dat al eens kreupel is geweest van een miniscuul steentje in een stifgat, is een andere hoefsmid genoeg reden om te zeggen: ‘ik kan niet lopen.’

De vaste hoefsmid is weer beter en al gebeld voor een afspraak. Merlijn staat op het homeopatische middel hypericum dat moet helpen tegen zere paardenvoeten. Hij moet wel in de bewegingsmolen, anders wordt ie moddervet, een beetje beweging kan geen kwaad. Dus ik zet Merlijn in de molen en ga zelf terug de stal in. Kom ik weer buiten, zie ik een lege molen rondjes draaien… hekje open… Merlijn foetsie.

En waar vind je merlijn dan terug?

En waar vind je merlijn dan terug?
Niet in de fraaie en met zorg onderhouden tuin die volstaat met kleurrijke bloemen en sappig groen gras. Niet in de voerkamer. Niet in de wei. Niet bij de andere paarden. Waar dan?
Merlijn staat bovenop de mestbult, waar hij met veel plezier een gat aan het graven is.

Ik loop er naar toe en zeg tegen hem: ,,Merlijn, gaat het? Vermaak je je?”
Hij kijkt op. Verbaasde blik. Tuurlijk vermaakt hij zich! Heel goed zelfs. Hij was de krant aan het lezen. Even op die mestbult en je bent weer helemaal bij, in de paardenwereld. Waarom mag dit nou anders nooit?
Voor een snoepje wil hij de paardenmestkrant wel dichtslaan. Hij draait zich om, klautert weer door de mest terug en wandelt hij naar me toe. Vrolijk. Net als anders.

Stalmanager Lotte, die toekijkt, grijnst, schudt nogmaals haar wijze hoofd en mompelt niet voor het eerst: ‘hij is nie goe wijs.’

Het graven zat er al vroeg in. Op de foto is merlijn 2 jaar. Het is winter, dus hij staat thuis bij mijn ouders in de paddock.